SYNOPSIS

1672. Rampjaar. Oorlog met Frankrijk, Engeland, Munster en Keulen. Graaf Christoph Bernard Freiherr von Galen, bisschop van Munster - bijgenaamd Bommen Berend - belegert Groningen.

Carel Rabenhaupt, bevelhebber van de stad, heeft alle landerijen aan de noordkant onder water laten zetten. Daarom verzamelen alle belegeraars zich aan de zuidkant. Eind juli staan daar 24.000 soldaten klaar om aan te vallen. Achter de wallen hebben zich 2000 soldaten en 1260 gewapende burgers verschanst.

Tijdens het helse beleg ontwikkelt zich een onmogelijke liefde tussen Sientje Geerts, dienstbode  van de burgemeester, en Lieuwert Tjalstra, vaandrig in het studentenregiment. Zij is protestant. Hij katholiek. Terwijl de bommen, branders en granaten overvliegen, staan zij op de wallen te schieten, te joelen en te musiceren om de vijand te demoraliseren. In koor zingen zij talloze spotliederen op Bommen Berend.

Maar dan slaat het noodlot toe. De moeder van Sientje wordt getroffen door een bom. Haar arm is aan flarden geschoten en zij kermt: 'Snij maar af. Beter een arm verloren, dan een stad verloren'. Op haar sterfbed laat zij Sientje beloven te trouwen met Louwert Fockens, Statenlid, een hereboer uit het Heiligerlee.

Deze belofte vormt het begin van een heroļsch verhaal  over liefde en haat, list en bedrog, gemeenschapszin en eigen gewin. Pas als eind augustus de rookwolken boven de Stad optrekken volgt de ontknoping…